Stel je een aantal opeengestapelde labyrinten voor, allemaal verbonden door eindeloos veel stenen trappen. Elk labyrint grijpt in dat erboven of zakt gedeeltelijk in dat eronder. Het geheel draait bovendien rond, zodat wat eerst voor is, langzaam naar achter schuift.
Zo is de stad Cuenca. De historische kern staat op enkele grote rotsen tussen twee diepe kloven. Je raakt er al snel je oriëntatie kwijt: elk straatje draait en bovendien moet je vooral trappen lopen. Als je omhoog wil, moet je soms eerst trappen omlaag nemen; als je omlaag wil moet je juist eerst omhoog. Veel trappen eindigen bij een prachtig uitzicht waar je niet verder kunt.

De stad is vanouds beroemd om zijn “hangende huizen”, de Casas Colgadas. Dat houdt niet veel meer in dan dat enkele huizen op de rand van een hoge rotswand naar voren stekende balkons hebben op drie verdiepingen boven elkaar. Meer bijzonder is eigenlijk dat die balkons daar al hangen sinds de veertiende eeuw. Daar kan Maastricht wat van leren.


