Als we weg fietsen van de camping, is dat zonder ontbijt: er was niks te krijgen. Ach, niet erg, denken we, de route is tamelijk vlak en we komen wel iets tegen onderweg.
Wat volgt is het ene venijnige klimmetje na het andere, allemaal kort maar toch. En steile afdalingen over slecht wegdek. In een dorpje krijgen we koffie, dat is tenminste iets. En Rienke krijgt een roos van de man die de koffie gezet heeft.
Maar intussen hebben we nog steeds niets in de maag. Pas in Kanali vinden we een restaurant vol Griekse mannen. We mogen in de keuken aanwijzen wat we willen. We wijzen bijna alles aan.
Het is onze langste etappe tot nu toe. In Preveza moeten we door een autotunnel onder het water door; daar mag je niet fietsen, je moet voor een camera gaan staan zwaaien en dan wachten tot je gehaald wordt. We denken: óf je gehaald wordt maar binnen vijf minuten is er een servicebusje met een aardige man achter het stuur.
Aan de overkant is het nog een flink eind fietsen naar Lefkada. We rusten bij een oude sandwichbar waar de eigenaar blij is dat de zwaluwen weer terug zijn uit Afrika en aan zijn dak nesten aan het metselen zijn.
En we moeten voor het eerst de Dazer gebruiken, bij een aanval door twee honden. Het is een groot succes, ze breken onmiddellijk de aanval af.
’s Avonds ontdekken we dat de ferry naar Kephalonia niet vanuit Vasiliki (aan de zuidkant van het Lefkas) vertrekt maar vanuit Nydri aan de oostkant. Dat scheelt ons een zware bergetappe.
Dinsdag is daardoor een makkie: ’s morgens in één uur over een drukke verkeersweg naar de veerboot, daarna een prachtige zeereis langs Ithaka naar Fiskardo op Kephalonia en vervolgens dolce far niente in een pension aldaar want aan de bergetappe die nu volgt kunnen we vandaag niet meer beginnen.





