Op tijd Bodegraven uit, we hebben een lange etappe voor de boeg. Al snel rijden we weer door dat typische Zuidhollandse boerenland. Overal water: vaak brede sloten voor en langs de boerderijen, zo’n boerderij staat dan zowat op een eiland. Vooral het eerste deel van het plassengebied tussen Bodegraven en Gouda, de Reeuwijkse plassen, is indrukwekkend. Wilde, hoog opgeschoten begroeiing langs de oevers van het water. Het is nog wat nevelig.
Op de markt van Gouda, achter het stadhuis, drinken we koffie met mierzoete cheesecake waar wat brokken stroopwafel in verwerkt zijn. Dan volgt een mooi traject : parallel aan de Hollandse IJssel richting Krimpen. Hier alleen koeien, meerkoeten, futen, zwanen en eenden. Bij Krimpen aan de IJssel komen we weer in de bewoonde wereld. In Krimpen aan de Lek ligt juist de pont klaar naar de overkant van de Lek. Daar ligt Kinderdijk.
We lunchen er op één van de picnicbankjes naast het fietspad. Aardig wat buitenlandse toeristen hier. Maar overdreven druk is het toch niet. We zijn op de “Europese COVID-kaart” nog steeds rood, dat zal ze afschrikken.
We fietsen verder door Alblasserdam en Papendrecht. Dan naar Dordrecht met de “waterbus” over de Merwede. We rijden Dordrecht in over de Noorddijk, wat is die hoog! Dat zal in het verleden niet voor niets geweest zijn.
Het Hollands Diep steken we over met de Moerdijkbrug. De herrie op de brug is oorverdovend . En dan horen we nog maar de helft want op de rijbanen naar het noorden staat alles stil. Kilometers file.
Aan de overkant zijn we in Brabant. We belanden op een vrij smalle rechte jakkerweg, de rode flitsende achterlichtjes gaan aan. Na Zevenbergen kunnen we gelukkig op een gescheiden fietspad naast de jakkerweg rijden.
Na 82 km eindigt onze dag bij “vrienden op de fiets”, alleraardigste mensen die ook eten voor ons klaarmaken


