We fietsen door een leeg land: het westelijk deel van de Maestrazgo, richting Teruel. Tussen 1400 en 1600 meter; het lijkt een hoogvlakte maar plotseling is er een afdaling of een klim. Tot aan elke horizon zie je hetzelfde landschap zich uitstrekken. Kaal in honderden variaties.
Kijk! Boven ons! Rienke roept en remt. Ik kijk omhoog. Het is meteen duidelijk, dat zijn gieren. Een groepje van vijf. Heel hoog en toch goed te herkennen – omdat ze zo groot zijn. In langzame, wijde, elkaar snijdende cirkels draaien ze op de thermiek.
“¿Se ve que ahí abajo?” “Si, claro”.”Todavia mueve.” “Si, todavia. Non es interesante.”
(“Zie je dat daar beneden?” “Natuurlijk.” “Het beweegt nog.” “Ja, nog wel. Niet interessant.”)
En ze vliegen verder.


