
We beginnen de dag met de de kathedraal van Paray-le Monial. Zó ongeveer moet de abdij van Cluny eruit gezien hebben, maar dan zes keer groter. Joos ziet een elektronicazaak en scoort een nieuw JBL-speakertje (het oude heeft het begeven). En dan volgt een lange fietsdag.
We rijden eerst langs de Bourbince. Na 30 km houden we een lunchstop in het gras langs de weg met uit het nieuwe speakertje het geluid van de Jayhawks. De lunch is karig, we hebben nog maar een beetje brood van gisteren en nauwelijks nog water. Met honger stappen we weer op de fiets.
Tien kilometer verder, als we Monceau-les-Mines binnen rijden, is er eindelijk een Turk die reclameborden heeft hangen met allerlei heerlijks: ijs, cola, enz. Maar hij blijkt alleen een blikje orangina te verkopen. Of kebab, maar daar hebben we nu ook weer geen zin in. Na de orangina verder door Monceau-les-Mines: een stad die langzaam wat op lijkt te krabbelen uit een toestand van grauwe massale werkeloosheid. Veel resten van voormalige industrie. Aan de andere kant van de stad beproeven we ons geluk opnieuw op een terrasje. Koffie heeft de man wel, maar niets erbij. We mogen gebak halen bij de bakker even verderop en het bij hem op het terras opeten.
Als we de stad uit zijn moeten we eerst een stukje over een drukke verkeersweg. Maar daarna is het allemaal “voie verte” en kleine weggetjes langs het water, van gehucht tot gehucht. Arme gehuchten, met veel vervallen huizen. Dan volgt een licht dalend stuk langs de Dheune: veel sluizen kort achter elkaar. Het fietspad is hier voorzien van barrières die moeten voorkomen dat ander verkeer er gebruik van maakt: horizontaal rondhout, driekwart over het pad op stuurhoogte. En ja, dat gaat na ruim 70 km fietsen mis: ik raak er één. Ergernis natuurlijk, pijn op de borst en wat schaafwonden.
Na 74 km zijn we eindelijk in Saint Léger, daar willen we kamperen. De camping is moeilijk te vinden, blijkt achter een half vervallen boerenhoeve te liggen. Het is een heel groot terrein met maar hier en daar wat gasten. Het grootste deel van de grond wordt in beslag genomen door een afgezette weide met een paar pony’s en een oude bok.
Ondertussen hebben we weer flinke honger, dus snel het dorp in. Aan de rivier ligt een goed restaurant, hebben ze ons verteld. Daar hebben ze echter niet één tafeltje meer vrij. Voor het eerst in deze tijd van Corona dat we dat meemaken. Mensen die ook op de camping staan en wel een tafeltje bemachtigd hebben proberen ons nog te helpen en doen een goed woordje voor ons. Maar nee, we worden weggestuurd. Gelukkig is er in het dorp nog een pizzeria waar we onze honger kunnen stillen, en dat lukt uiteindelijk prima.


Dag Rienke en Joos
Wat leuk om weer van jullie te horen! Ik geniet van jullie fiets verhalen! Ik ben benieuwd naar het vervolg.
Zelf zijn we in september naar Bretagne en Normandië geweest, naar onze Franse vrienden.
Het lijkt me gezellig om weer eens wat af te spreken als Corona weer onder controle is. Nu beperken we de contacten.
Hartelijke groet
Marleen Lenssen