Geen slag hoeven trappen en toch weer mooi aankomen

Spaans ontbijtje in wegrestaurant annex hostal Los Maños: café con leche, croissant, zumo de naranja. Robert vertrekt gelijk met ons maar dan naar het zuiden, hij wil naar Marokko. Geen echte fietskleren, wel veel tassen op z’n fiets. Ook geen helm: hij is altijd heel voorzichtig, zegt hij en knipoogt er nog nét niet bij.

We draaien meteen weer de Via Verde op. Zelfde beeld als gisteren: soms hoge rode rotswanden links en rechts, soms rijden we op een opgeworpen spoordijk van wel twintig meter hoog, dan weer een tunneltje of we rijden een paar kilometer door woest gebied met op enige afstand een dorpje. Hier en daar een picnictafel in de schaduw.

En makkelijk! Bijna voortdurend licht dalend. Het enige waar je op moet letten is de losse fijne steenslag die bij voorkeur juist in bochten ligt of onderaan een steiler stukje afdaling.

Waar zullen we eens stoppen? Het wordt Jérica, een dorpje in de buurt van Segorbe. Ons hotel ligt in het nieuwe gedeelte; het oude deel van Jérica bestaat uit de bekende smalle straatjes die omhoog kronkelen tegen een hoge rots. Daar bovenop staat de Torre de las Campanas, een laat bouwwerk in mudéjarstijl, echt een pronkstuk. We klauteren erheen. In dit hogere deel van het dorp wonen nog maar weinig mensen want je kunt er moeilijk of helemaal niet komen met de auto – dat zal wel de verklaring zijn. Een bar aan een onooglijk achterafplein blijkt een geliefd specialiteitenrestaurant, El Rullo. Daar eten we: natuurlijk pas om half negen ’s avonds, eerder kan hier echt niet.

Rechts achter in de hoek: El Rullo.

Als we terugkomen in het hotel zit daar juist iemand vast in de lift, tussen de eerste en de tweede verdieping. Personeel probeert de liftdeur op de tweede met de handen open te trekken; dat lukt gelukkig niet. We nemen maar aan dat er deskundige hulp komt en gaan slapen.

Plaats een reactie